Pensioen

03 dec 2016 - Vaessen/Esten

Pensioen

Inleiding Sedert enkele jaren vindt er een verwoede discussie plaats over de toekomstbestendigheid van de Nederlandse pensioenen. Afname werkgelegenheid, vergrijzing populatie en afname draagvlak onder vooral jongeren zouden debet zijn aan het feit dat het huidige pensioensysteem onder druk staat. Bovendien verkeren de dekkingsgraden van de meeste pensioenfondsen op een kritische grens, zodat veelal reeds herstelplannen moesten worden gemaakt.

En thans worden de komende jaren kortingen van de pensioenen in het vooruitzicht gesteld! Het pensioensysteem wat wij in Nederland kennen, wordt wereldwijd als beste- dan wel een van de beste pensioensystemen genoemd. Immers vele decennia lang bleek het een betrouwbaar systeem te zijn en zorg te dragen dat werknemers na hun pensionering een goed aanvullend pensioen ontvingen. Systeem Het pensioensysteem is gebaseerd op solidariteit. En kent de zogenaamde doorsneepremie systematiek. Dat wil zeggen elke deelnemer betaald hetzelfde percentage premie. Populair gezegd, men betaalt dezelfde premie. En dat nu zou vooral de jongeren een doorn in het oog zijn. Zij betalen naar verhouding meer premie dan ze daadwerkelijk aan pensioen opbouwen wordt geroepen. Enige relativering is hierbij op zijn plaats. Iedereen betaald hetzelfde percentage premie, doch in klinkende munt is dat evenwel per persoon verschillend. Allereerst wordt de franchise afgetrokken van het inkomen. Het resterende is premieplichtig. Naar mate je meer verdient, betaal je dus meer premie. Ouderen hebben veelal een hoger salaris en zullen dus dé facto meer premie betalen. Jongeren betalen feitelijk d.m.v. de doorsneepremiesystematiek mee, voor de ouderen.

 

Doch deze cyclus bestaat al vanaf het ontstaan van het systeem en blijkt zeer valide te zijn. Immers de huidige jongeren zullen t.z.t. de ouderen zijn en ook dan zijn er weer jongeren die voor hen mee betalen! Niets mis mee lijkt ons zo. Hoe ontstaat aanspraak op aanvullend pensioen? De werkgever en werknemer leggen maandelijks geld in voor het pensioen, uit te keren vanaf pensioengerechtigde leeftijd. Veelal betaalt de werknemer 1/3 van de kostendekkende premie en de werkgever 2/3 van de kostendekkende premie. Daarom wordt de ingelegde premie ook wel genoemd, uitgesteld loon! Het ingelegde geld wordt belegd, waarbij de bestuurlijke organen van het pensioenfonds bepalen hoeveel risico zij hierbij willen nemen. 2 De dekkingsgraad wordt nu bepaald door het pensioenvermogen te delen door de totale pensioenverplichtingen. Het pensioenvermogen is vrij makkelijk te bepalen door de koersen op de aandelen- en obligatiemarkten en ook voor de andere vermogensbestanddelen zijn er waarderingsmodellen beschikbaar. Voor de verplichtingen is dat heel anders. Die verplichtingen strekken zich wel uit over een periode van 60 jaar. En die verplichtingen moeten contant gemaakt worden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met een rekenrente. Deze rekenrente bedroeg vele jaren maximaal 4% (Een aantal fondsen hanteerde ook wel 3%) en werd dan ook wel genoemd de vaste rekenrente. Sinds enkele jaren schrijft evenwel De Nederlandse Bank in samenspraak met het Kabinet voor wat de hoogte van de rekenrente moet zijn. Hierbij wordt tegenwoordig uitgegaan van kortere rekenperiodes, zodat de rekenrente beduidend onder de 4% scoort. Spelregels via het UFR-systeem dwingen fondsen om diverse dekkingsgraden te berekenen. In 2006 werd het Financieel Toetsingskader ingevoerd, waardoor de nominale pensioenen met 97,5% zekerheid gegarandeerd moesten worden. Daarom is aan de verplichtingenkant afgesproken dat de actuele marktrente (swaprente)gehanteerd moest worden om de verplichtingen te waarderen. Deze afspraken hebben evenwel niet geleid tot meer zekerheid, maar tot veel grote onzekerheid, dan onder het oude systeem! Hier zit het grootste verschil van inzicht tussen overheid/DNB en de fondsen. Immers pensioenpremies worden veelal 40 jaar beheerd, eer zij tot uitkering komen.

De gemiddelde rente over zo’n lange periode plus gemiddelde van beleggingsrendementen overstijgen ruimschoots de 4%. Dus bleek de vaste rekenrente een zeer solide systeem te zijn. Belangrijk is hierbij te weten dat 1% rekenrente ca 15% dekkingsgraad betekent. De dekkingsgraden van de meeste pensioenfondsen bewegen zich al enige jaren tussen de 90 en 110%. Indien de voormalige vaste rekenrente in ere hersteld zou worden, zou dat betekenen dat de dekkingsgraden met ca 30% stijgen. En dat betekend dat de pensioenen normaal geïndexeerd kunnen worden. Let wel, bij veel pensioenfondsen worden de pensioenen sedert ca 6 jaar niet meer geïndexeerd. Enkele fondsen hebben zelfs kortingen op de pensioenen moeten plegen! Ook zou er beter gekeken kunnen worden naar de vereiste buffers, hoeveel en in welke mate noodzakelijk? De pensioenfondsen kennen veelal regelingen die ervan uit gaan dat om en nabij 70% van het gemiddeld genoten loon in het totale arbeidzaam leven, na pensionering als pensioen wordt uitgekeerd. Tevens kennen de meeste regelingen een ambitie om jaarlijks te indexeren. Vanwege genoemde ambitie wordt voorgeschreven dat daar voor extra buffers moeten worden aangelegd. Hoe minder ambities worden vastgelegd, hoe minder buffers verplicht zijn! Pensioenverplichtingen ontstaan doordat pensioendeelnemers premie inleggen en dus aanspraken krijgen op pensioenVoor het berekenen van de aanspraken is de hoogte van de rente van belang. 3 Hoe lager de rente, hoe hoger de verplichtingen (vandaar aanleg buffer). Hoe hoger de rente, hoe lager de verplichtingen. Een fonds kan aan zijn verplichtingen voldoen als men 110% dekkingsgraad heeft bereikt. Logischer zou echter zijn dat de pensioenverplichtingen berekend worden op basis van de daadwerkelijk gerealiseerde rendementen van de pensioenfondsen. Hoe hoger die rendementen zijn, dus hoe beter het pensioenfonds presteert, hoe lager zijn dan de verplichtingen en hoe hoger zijn dan de dekkingsgraden. Als dan het rekenrendement bepaald wordt op bijvoorbeeld een 10-jarig gemiddeld voortschrijdend gerealiseerd rendement en er een afslag is voor de inflatie is men zeer prudent bezig. Het grote voordeel is dan ook dat slechts 1 keer per jaar dat nieuwe rekenrendement wordt bepaald bij het vaststellen van de jaarrekening van het pensioenfonds en komt er een einde aan die maandelijkse pensioenhysterie, wanneer bureaus als Mercer weer nieuwerampvoorspellingen doen over de dekkingsgraden op basis van maandelijkse rentestanden.

Zijn er dan geen problemen? Ja wel, het systeem verdient wel enige aanpassing omdat in de maatschappij zich enkele structurele veranderingen hebben voorgedaan. Zo worden werknemers veelal op een tijdelijk contract te werk gesteld. Veranderen werknemers vaker van baan. En gaan steeds meer werknemers als zelfstandige (ZZP-er) aan de slag. Hiervoor dienen we een passend antwoord te hebben, zonder dat wij daarmee het hele stelsel over hoop halen. Zo zal minder fondsen door fusies en aanpassing van pensioenregelingen tot enkele modellen, oplossingen bieden voor tijdelijke contractanten en transities. De ZZP-er kan zich aansluiten bij het inmiddels nieuw in het leven geroepen Algemeen Nederlands Pensioenfonds. Of er zou een regeling kunnen komen dat deelnemers zelf mogen besluiten bij hun oorspronkelijke fonds te blijven. De betaalbaarheid voor de ZZP-er van zijn/haar pensioenpremie is gelegen in de te hanteren tarieven voor verleende diensten. Conclusies 1. Huidig systeem een van de beste ter wereld, gestoeld op solidariteit 2. Financieel probleem is een boekhoudkundig probleem en dus geen reëel probleem. De oplossing is invoering van een prudent bepaald rekenrendement gebaseerd op het 10-jarig voortschrijdende gemiddelde van de gerealiseerde rendementen door het pensioenfonds 3. Herinvoering vaste rekenrente van 4% is in de tussentijd noodzakelijk en zeker verantwoord. 4. Geheel nieuw systeem kost minimaal 100 miljard euro aan transitiekosten. Voor veel minder kunnen aanpassingen plaatsvinden om de gesignaleerde problemen het hoofd te bieden. 5. Reduceren aantal fondsen wenselijk, alsmede aanpassen/afstemmen van regelingen. 6. Mogelijkheid voor iedereen om een aanvullend pensioen op te bouwen wordt onderschreven. 4 7. Variant 4c SER voor eigen pensioenpotjes met gemeenschappelijk beleggen van het vermogen, is geen adequate oplossing en meer een cosmetische oplossing! 8. FNV dient zelfstandig visie te ontwikkelen en hiervoor draagkracht te ontwikkelen bij politiek, werkgevers, DNB en werknemers. Nota bene: Het bovenstaande indachtig, is natuurlijk de vraag waarom de Nederlandse overheid annex De Nederlandse Bank stug vasthouden aan hun huidig beleid en zelfs het gehele systeem ter discussie hebben gesteld. Welnu, de overheid is ook werkgever. En is dus zeer gebaat met versoberingen van de regelingen. Immers met Witteveen I en II werd dat eveneens beoogd, met als gevolg verlaging van de premie. Dat nu brengt gigantisch geld in het laatje van de overheid. Maar dé facto betekent het dat geld wat eerder is toegezegd, voor een deel weer terug gesluisd wordt! Bovendien ligt de nivelleringswoede van Brussel voor Europa eveneens op de loer, om zodoende legitiem bij de rijke pensioenfondsen te kunnen afromen. Het adagium lijkt wel, even slecht is ook gelijk! Met de verantwoordelijke staatssecretaris Jetta Klijnsma zeggen wij, pensioenen is geen zaak van de overheid, maar van sociale partners. Immers het zij nogmaals gezegd, het is uitgesteld loon! Maar dan moet de overheid zich eigenlijk er ook niet mee bemoeien en het aan sociale partners over laten hoe pensioengelden beheerd dienen te worden! Met deze notitie op hoofdlijnen, hopen wij een aanzet te geven tot een inhoudelijke discussie die leidt tot een transparant proces in de besluitvorming over de toekomstbestendigheid van ons pensioenstelsel. Heerlen-Maastricht 10 augustus 2016 Jo Vaessen, Huub Esten

Deel dit artikel

Geef een reactie op dit artikel

Jouw bericht