Een OR-lid uitsluiten van medezeggenschapswerk. Hoe zit het volgens artikel 13 van de WOR?

12 feb 2019 - FNV

Een OR-lid uitsluiten van medezeggenschapswerk. Hoe zit het volgens artikel 13 van de WOR?

De kantonrechter had uitspraak gedaan: een OR-lid, tevens FNV’er, was wegens wangedrag uitgesloten van OR-werk. Zowel de ondernemer als de OR vroegen om hoger beroep. In het hoger beroep werd de uitspraak van de kantonrechter herroepen. Want wat is precies ‘wangedrag’? En had het lid wel een laatste waarschuwing gekregen?

Overtreding van de spelregels

Het eerste verwijt aan het adres van het OR-lid was dat hij zich bij herhaling niet had gehouden aan de afgesproken spelregels. Het ging hierbij om regels als ‘anderen laten uitpraten’, ‘de rol van de voorzitter accepteren’ en ‘genomen besluiten aanvaarden’. Uiteindelijk leidde dit ertoe dat de OR het lid meedeelde niet langer meer in zijn aanwezigheid te willen vergaderen.

Onbetrouwbare werkgever

Daarnaast zou het OR-lid de onderneming regelmatig met insinuerende opmerkingen als een onbetrouwbare werkgever hebben neergezet. Dit punt maakte de algemeen directeur. De directeur zag een duidelijk patroon en vond dat er geen basis voor wederzijds vertrouwen was. Door dit gedrag van het OR-lid besloot de directie niet meer in zijn bijzijn met de OR te willen overleggen.  

Verzoek om uitsluiting

Inmiddels wilde zowel de OR zelf als de directie niet meer vergaderen op het moment dat het lid aanwezig was. Het lid was meerdere keren op zijn gedrag aangesproken, maar wilde of kon het niet verbeteren. Zijn aanwezigheid vormde dus een ernstige belemmering voor het overleg tussen ondernemer en OR. Daarom wees de kantonrechter het verzoek om uitsluiting toe. Maar het Gerechtshof zag het anders.

Wel of geen wangedrag?

Het Hof zag het gedrag van het lid als een afwijkende mening of minderheidsstandpunt. En dit kan niet worden gezien als wangedrag. Uitsluiting mag alleen toegepast worden als uiterste middel en moet als sanctie proportioneel zijn. Daarnaast vond de rechter dat de noodzaak van uitsluiting onderbouwd moest worden met concrete feiten en omstandigheden. Ook had er meerdere keren gewaarschuwd moeten zijn om het ongewenste gedrag na te laten, waaronder een ondubbelzinnig laatste waarschuwing. 

Conclusie

De rechter stelt dus hoge eisen aan het middel om via artikel 13 WOR een lid uit te sluiten van OR-werk. Dat is ook terecht, aangezien OR-leden democratisch zijn gekozen voor de duur van de zittingstermijn.  

Deel dit artikel

Geef een reactie op dit artikel

Jouw bericht